Ketelbinkie

Ketelbinkie, toen wij van Rotterdam vertrokken…

Ketelbinkie, toen wij van Rotterdam vertrokken is één van die gouwe ouwe nummers die nog regelmatig in de kroegen van Rotterdam te horen is. Ook als u meeloopt in de Katendrechttour is de kans groot dat u zelf ook aan de beurt komt om het nummer ten gehore te brengen. Vandaar dat we hier de tekst hebben neergezet en wat informatie van Wikipedia hebben geplukt.

De straatjongen van Rotterdam, beter bekend als Ketelbinkie, is een Nederlandse smartlap uit 1940. De tekst werd geschreven door Anton Beuving voor het hoorspel Vrouw aan boord en de muziek werd gecomponeerd door Jan Vogel. Het lied werd uitgevoerd door Frans van Schaik als De Zingende Zwerver, die er zoveel succes mee had dat hij het in zijn repertoire opnam. In de tekst beschreef Beuving zijn eigen belevenissen uit zijn jeugd, toen hij voer op de grote vaart. Alleen het slot, waarin het Ketelbinkie komt te overlijden, is verzonnen.

Heel veel mensen die het lied zingen, gaan in de eerste zin al uit de bocht door er van te maken: “Toen wij uit Rotterdam vertrokken”. De correcte tekst is echter “Toen wij van Rotterdam vertrokken.” Immers: wie vertrekt uit een plaats komt niet meer terug, wie van een plaats vertrekt (hopelijk) wel. Vandaar dat zeelieden altijd “van” zeiden.

Ketelbinkie, op de kade van het Buizenpark op Katendrecht

Ketelbinkie, op de kade van het Buizenpark op Katendrecht

Het beeldje

Het beeld is op initiatief van de Nederlandse Hartstichting ter ere van de jubilerende Holland-Amerika Lijn aan de stad Rotterdam geschonken. Het is in 1973 onthuld door Mies Bouwman. Bij die gelegenheid zong Frans van Schaik het lied, op accordeon begeleid door de componist Jan Vogel. Het stond op de Wilhelminakade bij de Spido en is in 1994 herplaatst naar Katendrecht. Het beeld is gemaakt door Huib Noorlander (Rotterdam 1928 – Nijmegen 2004).

Ketelbinkie: de tekst

Toen wij van Rotterdam vertrokken
Met de Edam, een oude schuit
Met kakkerlakken in de midscheeps
En rattennesten in het vooruit
Toen hadden wij een kleine jongen
Als ketelbink bij ons aan boord
Die voor de eerste keer naar zee ging
En nooit van haaien had gehoord
Die van zijn moeder aan de kade
Wat schuchter lachend afscheid nam
Omdat hij haar niet durfde zoenen
Die straatjongen uit Rotterdam

Hij werd gescholden door de stokers
Omdat hij al de eerste dag
Toen wij maar net de pier uit waren
Al zeeziek in het foc’sle lag
En met jenever en citroenen
Werd hij weer op de been gebracht
Want zieke zeelui zijn nadelig
En brengen schade aan de vracht
Als-ie dan sjouwend met zijn ketels
Uit de kombuis naar voren kwam
Dan was het net een brokje wanhoop
Die straatjongen uit Rotterdam

En als-ie ’s avonds in zijn kooi lag
En na het sjouwen eind’lijk sliep
Dan schold de man die wacht te kooi had
Omdat-ie om zijn moeder riep
Toen is-ie op een mooie morgen
’t Was in de Stille Oceaan
Terwijl ze brulden om hun koffie
Niet van zijn kooigoed opgestaan
En toen de stuurman met kinine
En wonderolie bij hem kwam
Vroeg hij een voorschot op zijn gage
Voor ’t ouwe mens in Rotterdam

In zeildoek en met roosterbaren
Werd hij die dag op ’t luik gezet
De kapitein lichtte zijn petje
En sprak met grogstem een gebed
En met een één twee drie in Godsnaam
Ging ’t ketelbinkie overboord
Die ’t ouwetje niet durfde zoenen
Omdat dat niet bij zeelui hoort
De man een extra mokkie schoot-an
En ’t ouwe mens een telegram
Dat was het einde van een zeeman
Die straatjongen uit Rotterdam

Hier zingt Frans van Schaik Ketelbinkie in één van Dorus-shows (Tom Manders)
http://youtu.be/RGPBRz-pCmI

Meer informatie over Ketelbinkie, de tekst en het beeldje, vindt u HIER>>>